De Val d’Orcia is Toscane op z’n mooist: zacht glooiende heuvels vol graanvelden en wijnranken, slanke cipressen langs kronkelwegen, middeleeuwse dorpjes die fonkelen in gouden zonlicht. Niet voor niets prijkt dit landschap op de UNESCO Werelderfgoedlijst. Wij wandelen dwars door dit levende schilderij, van het renaissancestadje Montepulciano naar het middeleeuwse Siena.
Schemer en miezerregen hangen over Montepulciano als we door de smalle straatjes omhoog klimmen. De natte keien glanzen, de pleinen met palazzi spiegelen zich erin. Uit de kille miezer duiken we een trattoria binnen. Vino Nobile in het glas, pecorino, prosciutto en porcini op het bord: Toscane in optima forma.
De volgende ochtend ontdekken we waarom Montepulciano een extra dag waard is. Op het Piazza Grande nippen we aan een cappuccino met uitzicht op verweerde renaissancestenen en de imposante Duomo, die ik later beklim. Hier gonst het van leven: terrasjes, fonteinen, toeristen. En ook filmcamera’s – scènes uit Twilight: New Moon werden hier gedraaid.
Met het toeristentreintje hobbelen we door smalle straatjes en langs betoverende uitzichten. Later schuilen we voor de regen in de hippe Lalma Tearoom, tussen jazzmuziek en boeken van Hemingway. ’s Avonds strijken we neer in de serre van Caffè Poliziano, een elegant café in Liberty-stijl dat ooit trefpunt was voor kunstenaars. De crostini zijn voortreffelijk, en even lijkt het alsof elk moment een schilder of schrijver kan aanschuiven.
Het is nog vroeg als we de volgende ochtend Montepulciano verlaten door de oude stadspoort, richting de monumentale kerk van San Biagio. Gebouwd uit warm travertijn en gewijd aan de beschermheilige van keelpatiënten. Toeval of voorteken? Die nacht begint mijn keel te kriebelen, voorbode van een hardnekkige verkoudheid die me de hele reis gezelschap houdt.
Onwetend van dat onheil lopen we door het Toscane dat we kennen van ansichtkaarten: wijngaarden en olijfbomen, frisgroene heuvels en braakliggende akkers in honderd tinten bruin en groen. Slingerweggetjes met eiken leiden ons door de vallei, waar rijen cipressen naar miniatuurboerderijen wijzen. In de verte lonkt Pienza, hoog op z’n heuvel − de hele dag in zicht, als een belofte in het landschap.
Onderweg doemt Monticchiello op, een pittoresk dorpje dat in de middeleeuwen fel werd bevochten door Siena, Florence en Orvieto. Vandaag heerst er serene stilte. We bewonderen de 13e-eeuwse kerk met fresco’s van de Sienese School. Op een pleintje nemen we koffie en huisgemaakte biscuits die eruitzien als cadeautjes. In een stil zijstraatje staat een opvallende olijfboom, volgens een lokale bewoner eeuwenoud.
Op de promenade langs het dorp zijgen we neer op een bankje voor de lunch, dan trekken we verder over een strada bianca, een witgrijze grindweg die als een lint door de Orcia-vallei kronkelt. Miljoenen jaren geleden lag hier een binnenzee, nu rollen de heuvels als golven de vallei in. Fietsers zoeven voorbij, de uitzichten zijn adembenemend. Achter ons waakt Montepulciano, voor ons lonkt Pienza met z’n verleidelijke skyline.
Pienza betreden we via de oude stadspoort. Hier kwam Paus Pius II ter wereld. Hij toverde zijn geboortedorp om tot een ideale Renaissance-stad met kathedraal en paleizen. ’s Avonds dwalen we door de straatjes, we stappen kerken binnen, mengen ons met de toeristenstroom. Het stadje mag druk zijn, maar de charme blijft onaangetast.
Bij La Terrazza del Chiostro vinden we een tafeltje in de avondzon, met fenomenaal uitzicht over de vallei. Zodra de zon achter de heuvels verdwijnt, kruipt de kou omhoog. We verkassen naar een trattoria in het hart van de stad. Hier vinden we warmte, simpele maar heerlijke gerechten en snelle service – een perfecte afsluiting van de dag.
De volgende ochtend komen we langzaam op gang: vandaag staat maar dertien kilometer op het programma. Broodjes halen we bij een ouderwets slagerijtje, waar de slagersdochter achter de toonbank zo bot is dat we er haast om moeten lachen. Het terras van Caffè La Posta – ooit een postkantoortje – maakt alles goed: de perfecte espresso komt met een warme glimlach. Bij de Coop slaan we zakdoekjes en keelsnoepjes in. De rekening gaat naar San Biagio.
Via een dalend weggetje, omzoomd door oude eiken, bereiken we de Pieve di Corsignano, een juweeltje van Romaanse bouwkunst. In het tufsteen van deze 12e-eeuwse kerk zijn merkwaardige beeldhouwwerkjes te zien: zeemeermannen, vossen die aan hun oren likken. Hier werd Enea Silvio Piccolomini – de latere paus Pius II – gedoopt.
Strade bianche slingeren door het Toscaanse landschap, akkers liggen braak, met klei in ruwe klonten. Wanneer is het hier op z’n mooist? vragen we ons af. Vast in juni of juli, als de graanvelden goud oplichten in de zinderende zon. Maar ook nu, met dreigende wolken die het landschap verdubbelen, is het adembenemend.
Een korte omweg voert ons naar de fotogenieke Cappella di Vitaleta, een eenzaam kapelletje tussen vier cipressen. Ooit stond hier het Mariabeeld van Andrea della Robbia; nu is het kapelletje zelf het middelpunt van bewondering.
De lucht betrekt. In een veld met uitgebloeide zonnebloemen eten we onze broodjes – zonder liefde gemaakt, maar prima van smaak. Dan barst de regen los. Paraplu’s gaan op, het landschap krijgt een dramatische, bijna filmische gloed. We ploeteren door het dal, klei klontert onder onze schoenen. Een bruggetje is ingestort, dus keren we om, opnieuw door blubber, tot we de drukke weg bereiken. Auto’s schieten rakelings langs, even later pikken we het pad weer op.
De zon breekt door, Bagno Vignoni licht op. In dit dorpje borrelen al sinds de oudheid warme bronnen. De Romeinen gebruikten ze, later liet paus Pius II een bronbekken aanleggen midden op het plein. Baden mag tegenwoordig niet meer, maar bij zonsondergang hangt er een betoverende nevel over het water, die de oude charme van het stadje versterkt.
B&B La Locanda de Loggiata wacht ons op met een warme ontvangst. Welkome beloning na een tocht door sombere modder. Het dorp ademt rust, de lucht geurt naar vochtige aarde en warme stenen, en het zachte geklater van het bronwater vormt de perfecte soundtrack bij een avondwandeling.
De volgende dag hobbelen we met een busje naar Castelnuovo dell’Abate, beginpunt van onze etappe. Aan boord vier Amerikanen die we al vaker zijn tegengekomen: twee lange mannen, twee korte vrouwen uit Chicago. Ze volgen dezelfde route, slapen in dezelfde hotels. Aardige vijftigers – drie fit, één met zoveel spierpijn dat ze vandaag in het busje blijft. “We schamen ons dood voor Amerika sinds Trump,” lachen ze besmuikt.
Een dalend pad voert naar de Abbazia di Sant’Antimo, gesticht door Karel de Grote. Het klooster ligt als een droom in het dal, omringd door beboste hellingen. Daarna klimmen we over strade bianche omhoog. De zon schijnt uitbundig, maar aan de horizon pakken wolken samen. Boven op de heuvel treffen we onze Amerikaanse reisgenoten weer: lunchtijd tussen de olijfbomen. We nemen hun plek over en genieten van het uitzicht. De lucht broeit, en even later vallen de eerste druppels.
Onder knoestige eiken schuilen we, een mandarijntje in de hand. De regen trekt weg, maar het pad blijft glibberig. Langs een raadselachtig gebouw vol camera’s dalen we verder af. Dan opent het uitzicht zich plots: Montalcino verrijst hoog op zijn kliffen. We lopen de stad binnen tussen wijnbars en statige palazzi.
“Hi, how are you?” Vanuit een van de wijnbars klinkt vrolijk geroep. De Amerikanen lachen breed, hun zorgen even opgelost in de nevelen van de beroemde Brunello-wijn. De kou snijdt inmiddels door onze jassen; tijd om op te warmen bij Il Grifo, een gezellig restaurant met Toscaanse klassiekers.
Montalcino speelde ooit een sleutelrol in de strijd tussen Siena en Florence. De Sienese republikeinen hielden hier tot 1559 stand tegen de Medici. Vandaag is het een charmant stadje vol middeleeuwse huizen, het elegante Palazzo Comunale en een fort met spectaculair uitzicht.
De volgende ochtend ontbijten we bij hotel Giglio, met uitzicht op het nevelige dal en het kerkje van het Ospedale di Comunità, hoog op zijn klif. Daarna pakken we cappuccino’s op het terras van Caffè Fiaschetteria, tegenover de slanke toren van het palazzo. Plots klinkt getrommel: een optocht in middeleeuwse kledij viert de overwinning van de wijk Travaglio bij de lokale boogschutterswedstrijd.
We klimmen naar de wallen van het fort en kijken uit over bossen, wijngaarden en daken met scheefstaande antennes. Even verder rusten we op een panoramische promenade, terwijl drie stijlvol geklede Koreanen hun drone laten vliegen.
Via smalle straatjes dalen we af, langs huizen met vlaggen van de stadswijken. Alleen twee katten kruisen ons pad – een oude, sjokkende en een jonge, speelse. ’s Avonds eten we in hotel Giglio, waar de kromgegroeide eigenaar ons een goddelijk maal serveert. De grappa – medicinaal tegen de verkoudheid – drijft de tranen in mijn ogen.
Etappe 3 voert ons door het domein van de Brunello-wijn, maar eerst dalen we steil af uit Montalcino. Net buiten de stadspoort ligt het landschap aan onze voeten: een patchwork van golvende wijngaarden en omgeploegde akkers, bestippeld met huisjes met rode daken. Donkergroene cipressenlaantjes geven het geheel diepte, ochtendnevel hangt laag over het land, daarboven strakblauwe lucht.
De afdaling is pittig – 20 procent volgens de borden – en doodstil. We volgen de strada bianca die we gisteren nog van bovenaf zagen kronkelen door het dal. Links en rechts wijngaarden, waar de oogst grotendeels binnen is. In de verte brommen kleine tractortjes tussen de rijen door. Hier groeit de druif die we gisteren nog in ons glas vonden. Vóór ons lopen twee oudere wandelaars, met wie we de hele dag stuivertje wisselen bij elke drink- of lunchpauze. Eveneens Amerikanen, zo blijkt later.
Langzaam verandert het landschap. De wijnranken maken plaats voor graanakkers, omgeploegd tot zware kluiten klei en aarde in alle tinten bruin en oker. In de verte tekenen zich twee kasteeltjes af op de heuveltoppen. Even later sluiten we aan op de Via Francigena, de oude pelgrimsroute van Canterbury naar Rome.
Dat klinkt romantisch, maar dit traject is minder schilderachtig: het pad loopt dicht langs een drukke verkeersweg. Zodra we die achter ons laten, keert de rust terug. Een smal pad slingert langs weilanden met paarden, koeien, een ezel en een vrolijk gezelschap kippen.
Dan volgt een lange, rechte weg van asfalt en grind – bijna vier kilometer – naar agriturismo Fattoria Pieve a Salti, onze uitvalsbasis voor de komende twee dagen. De naam belooft idylle, maar dat valt wat tegen. ’s Avonds brengt een shuttle ons naar het restaurant: groot, ongezellig en met het minst smakelijke diner van de hele reis. Maar de zonsondergang maakt veel goed.
De volgende ochtend vertrekken we vroeg, samen met onze Amerikaanse vrienden. Het echtpaar van in de zeventig, dat we al vaker tegenkwamen, volgt dezelfde route als wij. Een busje brengt ons naar het startpunt, over slecht geplaveide weggetjes en via krappe haarspeldbochten hoger en hoger, dat belooft wat voor de voetreis terug.
Hoogtepunt van de dag: de abdij van Monte Oliveto Maggiore, gesticht in 1319, ligt sprookjesachtig tussen cipressen, olijfbomen en parasoldennen. Binnen bewonderen we fresco’s van Signorelli en Sodoma, de kleurrijke keramiek van de gebroeders Della Robbia, en minutieus gesneden koorbanken van Fra Giovanni da Verona. Ondanks de Benedictijnse ernst wemelen de fresco’s van leven en humor: ondeugende duiveltjes, kwispelende hondjes, venijnige katten – en zelfs een vleugje erotiek.
Na de serene kloostergangen beklimmen we een trappad. Boven vergapen we ons aan de Crete Senesi. Het door erosie gevormde kleilandschap oogt als een maanlandschap: diepe ravijnen, calanchi genaamd, vormen grillige, haast surrealistische patronen in de aarde.
Hoog op een bergflank duikt Chiusure op, een charmant dorpje. Op een terrasje drinken we cappuccino’s, drie euro voor twee − buiten de toeristische centra is alles spotgoedkoop. We klimmen verder over strade bianche en bospaden met uitzichten over bergen, bossen, olijfgaarden en af en toe een boerderij. Achter ons schittert Chiusure op z’n steile kliffen in de zon.
Voor de lunch vinden we een bankje in het merkwaardige dorpje Monterongriffoli. Slechts tien inwoners houden hier nog stand. Veel huizen zijn half ingestort, verf bladdert van de deuren. De geschiedenis van het dorp is rijk: bewoond sinds de Etruskische tijd, welvarend in de middeleeuwen, maar meerdere keren beschadigd door aardbevingen. Het dorp ademt stilte en vergankelijkheid.
We lopen door wat ooit de hoofdstraat was, passeren het kerkje en een vervallen boerderij met een vervaagd opschrift. Via een oude stadspoort dalen we af over een cipressenlaantje. Onderin het dal is het modderig, en we passeren een witte-truffelreservaat. Daarna begint de klim weer, via haarspeldbochten omhoog, en de uitzichten worden steeds indrukwekkender.
Achter ons vangen we nog een glimp op van het verlaten dorp, voor ons prijkt een eenzame steeneik bovenop een heuvel, een lokale beroemdheid die zich graag laat fotograferen. In de verte doemt ons agriturismo weer op. De hele dag zien we geen andere wandelaars – een zeldzaam stille tocht.
Samen met onze Amerikaanse reisgenoten – ze spreken nog wat Nederlands uit hun Haagse jaren – nemen we de volgende ochtend een busje naar het beginpunt van de laatste etappe. De chauffeur − een goedlachse vrouw − scheurt als een echte Italiaan: bumperkleven, gewaagde inhaalacties op bochtige weggetjes. We houden onze adem in, maar bereiken veilig de start.
De ruige bergen rond Pieve a Salti maken plaats voor zachtere heuvels: een lappendeken van akkers, wijngaarden en solitaire boerderijen. De Amerikanen duiken een alimentari in voor sandwiches, wij trekken eropuit met onze lunchpakketten van de agriturismo. Een lange, stoffige strada bianca slingert kilometerslang door het landschap.
Vanaf het pad kijken we eindeloos ver: omgeploegde velden waar in de zomer goudgeel graan stond, cipressen die naar boerderijen op heuveltoppen slingeren. En Siena – statig op drie heuvels in de Toscaanse hoogvlakte, een van de best bewaarde middeleeuwse steden van Italië.
Langs de weg liggen ruïnes van oude boerderijen, skeletten van steen waar vogels en vleermuizen hun thuis hebben gevonden. In de berm ontdekken we honderden scherpe stekels – volgens Obsidentify van een stekelvarken. Ten prooi gevallen aan een wolf? Of aan een langs scheurende Italiaan? De stekels zwijgen. We nemen er een paar mee, als curiositeit.
In de schaduw van een cipressenlaan lunchen we. Vier dames met rugzakken passeren – de enige wandelaars die we vandaag zien. Even later bereiken we het eindpunt, een mini-dorpje waar de bus ons naar Siena brengt, over hobbelweggetjes en door smalle straatjes.
’s Middags maken we de rondwandeling uit de SNP-reisinformatie. Alle hoogtepunten van Siena passeren de revue. Zoals de schelpvormige Piazza del Campo, het kloppend hart van de stad, bekend van de historische paardenrace Palio die hier twee keer per jaar losbarst. Dan strijden de zeventien contrade – stadswijken – om de overwinning. Geen gewone sportwedstrijd, maar een eeuwenoud ritueel vol emotie, rivaliteit en eergevoel.
Siena groeide ooit uit tot een machtige handelsstad, maar werd door pest, belegeringen en de overheersing van Florence tot stilstand gebracht. Daardoor bleef het middeleeuwse karakter wonderlijk goed bewaard. Vandaag de dag leeft de stad van toerisme, landbouw en de Monte dei Paschi di Siena, de oudste bank ter wereld (anno 1472).
Op het plein zitten we tussen toeristen, genietend van een ijsje. Tien jaar geleden beklom ik de toren van het Palazzo Pubblico. Een smalle, steile trap met ongelijke treden leidde naar duizelingwekkende uitzichten over de stad en het omliggende landschap. De afdaling verliep minder sierlijk: ik roetsjte naar beneden en nam twee pijnlijke ellebogen mee als souvenir.
De Duomo di Siena verderop schittert in zwart en wit marmer – kleuren die verwijzen naar de paarden van de stadsstichters. De kathedraal, gebouwd in de vorm van een Latijns kruis, is uitbundig versierd met beelden, portalen en een koepel die oprijst uit een zeshoekige basis.
’s Avonds dwalen we door de straatjes, op zoek naar een goed restaurant. Ristorante Da Enzo, aanbevolen door SNP, blijkt minder idyllisch: we krijgen een tafeltje recht voor een schetterende tv. We bedanken beleefd en keren terug naar Osteria di Castelvecchio, een charmant tentje dat we eerder opmerkten. Hier vinden we precies wat we zoeken: heerlijke gerechten, een warme, uitnodigende sfeer en een perfecte afsluiting van een onvergetelijke vakantie door Toscane.
Deze wandelvakantie van SNP Natuurreizen hebben we gedaan van 22 september tot en met 1 oktober 2025. Meer informatie over deze vakantie vind je op Snp.nl.
Op Heerlijkehuisjes.nl vind je unieke vakantiehuisjes midden in de natuur en op fraai gelegen parken. In zo’n heerlijk huisje kun je je terugtrekken van het drukke, dagelijkse bestaan. Je komt helemaal tot rust.