Cairngorm Mountains: de laatste wildernis

Welke beelden verschijnen als je na ruim twee jaar een wandeling probeert te beschrijven? Niet heel veel. Maar om nooit te vergeten: we beklimmen een berg, de lucht wordt loodgrijs. Even later barst een sneeuwstorm los. Het zicht is nul, we verdwalen hopeloos, en het pad verdwijnt onder een laag sneeuw. Na een uur zien we opeens skiliften. Zucht van opluchting. Weer opgewekt dalen we op ons dooie akkertje af naar de beschaving.
IJzige regen en kou
Heel levendig herinner ik me ook het drassige dal na een bar lange tocht, waar we totaal onverwachts een prachtig kampeerplekje vonden en de zon die er toen bij kwam. En: de ijzige regen en kou op de top van een winderige berg en de hut waar we konden schuilen voor de nacht.
De laatste wildernis
Robert Macfarlane beschrijft de Schotse Cairngorm Mountains in een van boeken met het romantische beeld van 'de laatste wildernis van Europa'. En zo voelde het ook helemaal toen we er voor onze jaarlijkse trektocht in 2008 arriveerden. Het was begin juni, nog bar koud en er lag voortdurend regen op de loer. We trokken door een gebied ten oosten en zuiden van het toeristische plaatsje Aviemore. Een gebied dat op de kaart zo leeg oogde als de staatskas van de VS: vrijwel geen dorpje te bekennen in een gebied groter dan de provincie Utrecht.
Wat je vaak bij wandelingen hebt: er zijn mindere stukken waar je even doorheen moet ploeteren om dan weer in een gebied te komen dat de moeite waard is. Hier waren alle zes wandeldagen even mooi en afwisselend. Ons pad leidde vaak door open, bergachtig gebied, maar ook door beschutte dalen, oude bossen, en langs een prachtig wild riviertje.
Na een zware tocht waaraan geen einde leek te komen, kwamen we in een dal dat we op basis van de stafkaart als ‘kansrijke kampeerplek’ hadden bestempeld. Helaas: het dal was weliswaar open maar overal zo hobbelig en vooral ook drassig, dat er van kamperen geen sprake kon zijn. Het dal strekte zich kilometers voor ons uit en het zag er overal even nat uit.
Af en toe zakten we af naar de rand van de Cairngorms en bezochten we een van de spaarzame dorpjes. Niet alleen voor de broodnodige bevoorrading, maar ook om ons te laven aan lokale gerechten en vooral natuurlijk: lokaal gestookte whisky’s en Guinnessen. Van Braemar herinner ik me nog een grote oude herberg,
1. Ook bij deze Schotlandtrip hebben we gevlogen op Edinburgh, en vervolgens een auto gehuurd. Met het openbaar vervoer lijkt het me lastig te doen (maar lees vooral de reactie van Harold onderaan de pagina).
































